FTG ›› Felix Timmermans ›› Biografisch ›› Korte biografie

Korte biografie

Felix Timmermans

Felix Timmermans

Deze tekst is een bewerking van een fragment uit: Stijn Vanclooster, ´Felix Timmermans´. In: Hugo Brems, Tom van Deel, Ad Zuiderent (red.), Kritisch lexicon van de Moderne Nederlandstalige Literatuur. Groningen, Martinus Nijhoff uitgevers, september 2006.

Felix Timmermans werd op 5 juli 1886 geboren in Lier, de stad die zich – naar zijn eigen woorden – situeert op de grens tussen ´het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant´ en het ´mijmerend, magere Kempenland´. Hij was het dertiende kind van de kanthandelaar Gommaar Timmermans, een geboren en uitbundig verteller, en Angelina van Nueten, een vrome en ietwat angstige vrouw. Aldus belichaamde Timmermans als het ware in een dubbel opzicht de Vlaamse volksaard, die van oudsher wordt bestempeld als een combinatie van extraversie en ingetogenheid, van zinnelijkheid en mystiek. Zijn doopnaam luidde voluit Leopoldus Maximilianus Felix; spoedig zou men hem algemeen Felix noemen; op zijn Liers werd de naam ook vlug ingekort tot ´Fee´.

Tot zijn vijftiende loopt hij school; daarna volgt hij nog lessen aan de tekenacademie van zijn geboortestad. Het tekenen zal hem altijd nauwer aan het hart liggen dan het schrijven, dat hij nochtans gauw druk zal ontplooien in tientallen tijdschriften en blaadjes. De belangrijkste daarvan zijn De Nieuwe Gids, Dietsche Warande & Belfort, Vlaamsche Arbeid, De Boomgaard en Van Onzen Tijd.

Zijn eerste ´literaire´ pennenvruchten dateren van rond zijn vijftiende levensjaar. Omstreeks die tijd begint hij ook veel te lezen; auteurs die hem minstens een bepaalde periode intens zullen beïnvloeden, zijn Jules Verne, Hendrik Conscience, Stijn Streuvels, Omer-Karel de Laey, Marie Metz-Koning, Maurice Maeterlinck, Thomas Carlyle, Leo Tolstoj, F.M. Dostojevski, Sâr Péladan, Joris-Karl Huysmans, Madame Blavatsky, Annie Besant. Ook van rond zijn vijftiende dateert de kennismaking met een aantal gezellen voor het leven: Guido Gezelle, Ralph W. Emerson, Ruusbroec en Thomas à Kempis; later zouden daar nog onder anderen G.K. Chesterton, Jean Giono, Ernst Wiechert, Karl-Heinrich Waggerl en Antoon Coolen bij komen. Kort na het verschijnen van zijn eerste literaire werk maakt Timmermans onder invloed van bepaalde boeken een existentiële crisis door, die zijn neerslag vindt in een tweetal verhalenbundels, maar uiteindelijk wordt overwonnen met de sterk vitalistische roman Pallieter (1916). Met dit boek vestigt de auteur voorgoed zijn naam, eerst in Nederland, waar Pallieter wordt voorgepubliceerd in De Nieuwe Gids en Timmermans zijn vaste uitgever vindt. Kort daarna volgt ook de doorbraak in Vlaanderen.

Na de Eerste Wereldoorlog houdt Timmermans over het ontstaan van zijn meesterwerk tientallen lezingen in Nederland, het land waar hij naartoe is gevlucht wegens beschuldigingen van activistische sympathieën in het moederland. Daarnaast verdient hij er zijn brood met picturaal werk en krantenpublicaties. In 1920 keert hij terug naar zijn geboortestad. Hij blijft er wonen en zal de stad enkel nog verlaten voor de (vele) lezingentournees die hij in binnen- en buitenland zal houden. Zijn hele leven zou alleen in Lier het schrijven hem goed lukken.

In 1922 kreeg Timmermans de driejaarlijkse Staatsprijs voor Letterkunde voor de periode 1918-1920, officieel voor De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa, begijntje, maar tegelijk wilde de jury ook Het kindeken Jezus in Vlaanderen en vooral Pallieter bekronen. Ze zag in dat de weigering in 1920 om Pallieter – om morele redenen – de August Beernaertprijs toe te kennen een vergissing is geweest. In 1927 schonk de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen hem een premie voor Schoon Lier, voor En waar de ster bleef stille staan en voor het werk van de voorbije drie jaar. Twee jaar eerder werd hij door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde tot ´briefwisselend lid´ benoemd; acht jaar daarna tot ´werkend lid´.

Timmermans was geen man van drukke organisaties, maar een kunstenaar die het liefst in zijn eigen vrienden- en gezinskring leefde. Meermaals werd hij gevraagd om zich voor een Vlaams-nationale politieke partij verkiesbaar te stellen, maar ondanks zijn duidelijke flamingantische overtuiging, die hem tijdens de Eerste Wereldoorlog in de armen van de activisten dreef, weigerde hij dit telkens – op 1938 na, toen hij na lang aandringen akkoord ging met een onverkiesbare plaats op de lijst van het Vlaams Nationaal Blok, een kartel van het VNV en ´onafhankelijken´. In 1925 stichtte hij mee ´De Pelgrim´, een vereniging ter promotie van de christelijke kunst, en halfweg de jaren dertig was hij een tijd voorzitter van de ´Scriptores Catholici´. In 1940-´41 was hij redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk.

In de Tweede Wereldoorlog, waarin Timmermans zoals alle Vlaamse auteurs verder publiceert, kent de Hansa-stichting van de Universiteit van Hamburg aan de Lierenaar de Rembrandt-prijs toe. Dat wordt hem, samen met zijn flamingantische overtuiging, door velen ten kwade geduid. De auteur, die bovendien een hartkwaal heeft, lijdt daar zwaar onder. De laatste jaren van zijn leven brengt hij verzwakt door in familiekring. In deze omstandigheden schrijft hij de gedichten die postuum worden gepubliceerd onder de titel Adagio (1947). Het is Timmermans´ laatste werk. Hij overlijdt op 24 januari 1947.

Lees verder: Kritische beschouwingen bij het werk van Felix Timmermans.